|
|
|
Zoals bijna alles in deze wereld zijn vissen eveneens onderworpen aan modeverschijnselen. Sommige
vissen kennen gedurende een bepaalde periode een grote bloei om daarna in de vergetelheid te verzeilen. Als
men het groot aantal soorten aquariumvissen in ogenschouw neemt, dan blijven er relatief weinig over die
blijvend populair zijn en tot het standaard assortiment van de siervishandelaars behoren. Zo is het ook
vergaan met het dwarsbandsnoekje. Eens was dit visje redelijk in, tegenwoordig vindt men hem nergens meer.
Het heeft nochtans een zekere elegantie en schoonheid en is tevens gemakkelijk houdbaar en te kweken.
Het
dwarsbandsnoekje is een oud gediende. Het werd in 1846 door Cuvier en Valenciennes wetenschappelijk
beschreven onder de naam Panchax lineatum. Tegenwoordig luidt zijn Latijnse naam Aplocheilus
lineatus.
In 1909 werd het visje door de Vereinigten Zierfishzüchtereien Conradshöhe (bij Berlijn) naar Duitsland
gebracht. Ik vermeld dit om u duidelijk te maken dat het al lang gekend is.
Het
dwarsbandsnoekje is afkomstig van Indië,
meer bepaald uit de districten Bombay, Malabar, Corg, Wynaad, Cochin en Travancore, waar het rijstvelden,
plassen en grachten bevolkt.
|
| Kaart Indië |
Het uitzicht van deze vis beschrijven valt niet mee (zie foto). Op de zijden en de staartsteel bevinden zich
bij beide geslachten zes tot acht smalle donkere dwarsstrepen. Bij het vrouwtje zijn ze krachtiger van kleur.
Bij het mannetje verdwijnen deze strepen bijna volledig bij het bereiken van de geslachtsrijpheid. De
relatief grote ogen lichten groen op.
|
| Aplocheilus
lineatus |
Het dwarsbandsnoekje bezit, zoals trouwens alle andere Aplocheilus-soorten, een zilverachtig glanzende
vlek op zijn schedel. Bekijkt men vanop de oever het wateroppervlak, dan zal men veel eerder deze vlek
opmerken dan de vis zelf. De inheemse bevolking noemt deze vis daarom zinkkopje.
|
| Aphyosemion
gardneri |
Zoals bij vele andere eierleggende tandkarpers, bv. Aphyosemion gardneri, kan bij Aplocheilus lineatus de kleur en tekening sterk
verschillen naargelang de vindplaats. Meestal is het de kleur en het patroon van de staartvin die sterk
verschilt bij de verschillende lokale rassen.
Pas bij een grootte van 4 cm kan men het geslachtsonderscheid opmerken. Bij het mannetje vervagen de
dwarsstrepen en komt de goudglans op de zijden sterker naar voor. Het einde van de staartvin van het mannetje
wordt rechter, terwijl deze bij het vrouwtje rond blijft.
Waarom deze
vissen niet meer te vinden zijn heeft verschillende oorzaken. Een ervan is het wantrouwen tegenover het
dwarsbandsnoekje. Vaak lag de literatuur aan de basis van dit wantrouwen. Als men leest wat er in het
verleden over deze vis werd gepubliceerd, is het niet te verwonderen dat er velen afgeschrikt werden om het
dwarsbandsnoekje te houden. Zo meldt bv. Ruda Zukal in Aquarien Magazin (1968) "ein Raufbold unter den Zahnkarpfen ist der Streifenhechtling" (het
dwarsbandsnoekje is de vechtersbaas onder de tandkarpers). In hetzelfde artikel schrijft hij "Mit Vorliebe frißt er zum Beispiel Guppy-baby's, und wenn es irgend möglich ist, sollte
man ihm diese Lieblingsspeise regelmäßig bieten" (het liefst eet hij bv. guppy-baby's, en
wanneer het enigszins mogelijk is moet men hem dit lievelingsgerecht regelmatig aanbieden).
Wat eveneens opvalt is dat er in bijna alle artikels sprake is van guppy's als slachtoffer. Een
verklaring hiervoor is gemakkelijk te vinden, als men bedenkt dat bijna alle guppen kweekvormen zijn. Met
andere woorden de mannetjes hebben alle een monsterachtige grote staart. Door deze staart kunnen ze in feite
niet meer normaal zwemmen, ze slingeren zich als het ware doorheen de bak. Hun zwemgedrag lijkt op dat van
een zieke vis. Door deze zwemwijze wordt het jagersinstinct van het dwarsbandsnoekje aangewakkerd, waardoor
er natuurlijk slachtoffers vallen.
Dit en vele andere negatieve berichten worden echter volledig tegengesproken door de vele verslagen van
liefhebbers die deze vis tientallen jaren in hun gezelschapsaquarium hebben verzorgd. In sommige van die
aquaria konden zelf jongen van platy's opgroeien. Men kan hieruit besluiten dat Aplocheilus
lineatus in bijna ieder gezelschapsaquarium kan gehouden worden, mits er geen guppy-mannetjes of andere
jonge sluierstaarten aanwezig zijn.
De lineatus
is een oppervlaktevis, zodat hij uitermate geschikt is voor het bevolken van de bovenste waterlaag. Het
dwarsbandsnoekje is geen montere zwemmer. Bij voorkeur loert hij vanonder een drijfplant op prooi. In de
natuur bestaat die prooi hoofdzakelijk uit op het water gevallen insekten en hun larven. In het aquarium
neemt hij ook droogvoer aan, zolang het maar op het wateroppervlak drijft. Naast dit droogvoer kan men ook
muggenlarven, stukjes runderhart, grote watervlooien en verschillende wormsoorten geven. Tijdens het voeren
van fruitvliegjes wordt men getrakteerd op een heus schouwspel, waar zowel de toeschouwer als de vis (vlieg
uitgezonderd natuurlijk) veel plezier aan beleven.
Niettegenstaande hij het liefst onder een drijfplant verblijft, dient men toch het aquarium goed af te
sluiten, want als hij schrikt of wil wegvluchten kan hij nogal bokkesprongen nemen.
In de boeken
staat veelal vermeld dat het mannetje 9-12 cm groot wordt. Deze waarden worden in het aquarium zeer zelden
bereikt. Enkel als men ze vanaf de geboorte in een groot aquarium houdt en ze goed en afwisselend voedert
kunnen ze deze grootte bereiken. In de meeste gevallen worden ze slechts 7 cm groot, waarbij het vrouwtje
slechts een beetje kleiner blijft. Aan de waterkwaliteit stellen ze geen eisen. Zolang deze geen extreme
waarden bereikt en het water een temperatuur heeft van 24-26 °C, zijn ze in hun nopjes.
Bevinden zich meerdere mannetjes van gelijke grootte in het gezelschapsaquarium, dan gebeurt het vaak dat ze
hun krachten meten en elkaar trachten te imponeren, waarbij ze een indrukwekkende kleurenpracht tentoon
spreiden. Dit imponeren vindt meestal plaats na een waterverversing. Om de verliezer de kans te geven zich
terug te trekken is het belangrijk dat er drijfplanten zoals het mosselplantje (Pistia stratiotes), de
eikebladvaren (Ceratopteris thalictroides), Salvinia auriculata en de kleine kroosvaren
(Azolla caroliniana) aanwezig zijn.
|
| Pistia
stratiotes |
Het kweken
verloopt eveneens eenvoudig. Het volstaat een of meerdere vrouwtjes een week vóór de gewenste aflegdatum in
een kweekaquarium onder te brengen en ze goed te voederen. Na een gedeeltelijke waterverversing voegt men het
mannetje toe en meestal nog dezelfde dag wordt er begonnen met het afleggen. De waterkwaliteit van het
kweekbakje speelt geen rol, wel mag het aquarium niet hoger zijn dan 20 cm. Als aflegsubstraat kunnen
fijnbladige planten of perlonwatten gebruikt worden. Om het kweekpaar helemaal op zijn gemak te stellen, kan
men ook drijfplanten in het aquarium laten drijven. Om een grotere ei-afzet te stimuleren, kan men om de
andere dag het vrouwtje een dagje rust geven. Op die manier zullen er meer eieren afgezet worden dan indien
men het vrouwtje konstant bij het mannetje laat. Eén hooguit twee eieren worden per beurt afgezet en
bevrucht. De dagelijkse productie varieert van 10 tot 20 eieren. Gedurende de ganse afzetperiode, die een
drietal weken in beslag kan nemen, worden er ongeveer 200 eieren afgezet. Alhoewel het dwarsbandsnoekje geen
eierrover is, is het toch beter dat men regelmatig de eitjes verwijderd. De 2 mm grote eieren komen bij een
temperatuur van 24 °C na 16 dagen uit.
De jongen zijn direct in staat artemia-naupliën en cyclops te eten en groeien gelijk kool. Bij een goede
voeding en verzorging zijn ze reeds na een half jaar geslachtsrijp.
Als men alles op een rijtje zet, blijkt dat het dwarsbandsnoekje een beginnersvis is die, mits men
enkele maatregelen treft, zeer gemakkelijk te houden is in het gezelschapsaquarium. Spijtig genoeg worden ze
uiterst zeldzaam in de handel gebracht.
|